Tag Archives: platteland

De heilige koe

3 apr

Prachtig is het. Witte rijp dik op de bomen. Daar moet ik een plaatje van maken. Ik ben vlakbij huis en ruim op tijd. Bovendien heb ik meer dan genoeg kilometers op de teller van mijn elektrische bolide staan. Dus stoppen kan wel. Voorzichtig rijd ik de auto het onverharde dichtgevroren pad op. Geheel alleen in mystiek landschap. Met de telefoon in de aanslag ga ik op pad.

Vlak voor de sluis is de brug die de B-weg over het water loodst. Sinds kort vernieuwd en voorzien van een strak versierde reling. De naam van het water, de Wapserveense Aa, staat uitgespaard in het metaal. Heel ‘artie’ om daar doorheen foto’s te maken, terwijl mijn achterste bijna aan gort wordt gereden door voorbijgaand verkeer. Tijdens een geforceerde pauze zie ik links het ultieme plaatje; een eenzame boom vol zwarte takken met witte uiteinden in een mistig weiland. Voorzichtig steek ik de weg over om vanaf het veilige fietspad de foto der foto’s te maken.

Natuurlijk sta ik teveel op afstand, dus weer de weg over om vanuit de bevroren berm de beste hoek te bepalen. Behoorlijk onhandig op hippe laarzen, waar koude voeten schreeuwen om het genot van de autoverwarming. Maar hoe meer het lichaam tegenspreekt hoe harder het brein het wil pijnigen. Met mijn zintuigen op scherp, voel ik iets achterlangs glijden. Iets dat mij doet rillen.

Een aftandse Mercedes stopt bij de brug. Een jongeman in verschoten joggingpak met de pet achterstevoren op het hoofd stapt uit. Duidelijk geen vogelaar, visser of fotograaf. Zijn auto heeft hij laconiek geparkeerd, half op het fietspad, half op de brug, bijna op de rijbaan. Gek in een omgeving waar genoeg ruimte is.

Mijn hart bonkt luid, mijn verbeelding slaat op hol. ‘Komt hij nou mijn kant op?’  Ik bedenk dat ik de sleutel in mijn auto heb laten liggen. Dat kan hier op het platteland.

De jongeman steekt in stevige pas de B-weg over. Hij maakt geen foto’s van het landschap, maar koerst regelrecht op mijn auto af.

‘Niet zenuwachtig worden, die kijkt en vertrekt of moet plassen’, zegt mijn ratio. Mijn gevoel vertrouwt het niet. Slechts 1 druk op de startknop en deze zoeft er vandoor. Ik ga in mijn eigen vertrouwde langzame tempo terug naar de overkant. Op het fietspad zet ik een drafje in, want de jongeman cirkelt steeds dichter rond mijn auto. In mijn hoofd weeg ik af of het verstandig is om alleen de jongeman te benaderen, wellicht heeft hij andere plannen. Hij negeert mij meesterlijk.

Ik steek over. Zo nonchalant mogelijk roep ik vanaf een veilige afstand: “Hi, bijzonder mooi weer hè?” De jongeman reageert niet. Ik verzamel al mijn moed, wacht tot hij aan de passagierskant is en loop snel richting de bestuurdersplek. Pas als ik het portier open, kijkt hij op: “Interessante auto, rijdt die zuinig?”. Verbouwereerd laat ik me op de bestuurdersstoel zakken, pak de sleutel uit het vakje en stop die in mijn jaszak. Wat hakkelig geef ik antwoord, twijfelend tussen hard wegrijden of beleefd antwoorden, “Ja zeker. Hoezo?”

De jongeman loopt achter de auto langs, wat wegrijden onmogelijk maakt. Hij leunt naar binnen, arm op het openstaande portier: “Wow da’s nog eens een dashboard”. Ik zit gevangen. Redelijk uit mijn doen, stuntel ik voort: “Tsja, nieuw. Nou ja ….bijna 4 jaar oud.” De neiging om de auto onaantrekkelijk te maken overwint: “En je komt er niet zo ver mee.” Hij klopt op het dak: “Met een zonnepaneeltje zie ik”. “Mmm, maar ik moet er vandoor de kinderen komen uit school.” Ik probeer de deur dicht te slaan, maar hij geeft geen krimp. “Nou moet je weten dat ik net zonnepanelen op het dak heb gelegd. En ik werk in Meppel, dus ik dacht: is zo’n auto niet iets voor mij? Noordwolde – Meppel da’s te doen toch met zo’n bakkie? Ach en toen stond die hier ineens. Dus ik wou effe kijken en horen wat je er nou van vindt.” De eerste golf opluchting spoelt door mij heen. Dit overkomt mij vaker: mensen die vragen of het nou wat is ‘zo’n elektrische auto’. Ik adem eens diep in en noem alle voor- en nadelen op. Hij wijkt een stukje naar achter. Ik gooi de deur dicht, laat het raampje zakken. Door het raam geef ik aan dat proefrijden nu echt niet gaat, want ik moet weg. Hij neemt zijn pet af, krabt eens op zijn achterhoofd, groet. In het voorbijgaan roept hij nog: “Ik weet het nog niet hoor, misschien zijn de zonnepanelen toch vooral goed voor het opwarmen van water.”

Ik zwaai. Thuis sluit ik alles een week lang hermetisch af. Daarna verval ik mijn plattelandsvertrouwen. Deze week ben ik mijn sleutels opnieuw vergeten.

Frederiksoord 2017

Frederiksoord 2017

Advertenties

Logees II

30 jan

….

Aardige man die mij verzekert dat het een heel laat wespenjaar is met erg agressieve wespen. Niet onverstandig dus om een professional te bellen. Hij trekt zijn pak aan, vertrekt naar boven en spuit zowel de vliering als de slurf vol poeder. Ik spiek vanuit ons slaapkamerraam, maar zie uitsluitend een koperen buisje de slurf in verdwijnen. Nu een weekje wachten en als er dan nog geluid is, gewoon weer bellen. Inmiddels vind ik wespen allang niet meer nuttig, maar vooral eng. Steeds grotere exemplaren verschijnen wit of stuiptrekkend in de kamers, voelsprieten komen vanuit alle plafondlampen, stopcontacten en afgedekte niet gebruikte elektra gaten. Het zoemen klinkt nijdig. Ik besef dat de vliering doorloopt naar onze slaapkamer en gescheiden wordt van de tweede vliering door een muur met zeer veel gaten. De beesten kunnen dus overal zitten. Ik bedenk een nieuwe toepassing van plastic vershoudfolie, nadat alle voorhanden zijnde visitekaartjes tussen kieren zijn gepropt. Het plastic gaat om de lampen. Elke dag liggen er meer wespen in de lampenkappen, vaak nog levend. Een nest kan tot 3.000 wespen bevatten. Brrrr….. lang leve het platteland.

Na een week nog steeds zoemend geknaag op zijn kamer. De ongediertebestrijder belooft er op woensdag te zijn. Week twee gaat in. Hij is verbaasd over het geluid en spuit nog een keer het nest vol.

“Dat nest”, vertelt hij: “Heeft de omvang van vier voetballen. Da’s best groot.”

Chips dat betekent weer een week wachten en dochter op onze kamer. Zij vindt het prachtig. Geen van de kinderen durft de kamer van mijn zoon te betreden, mijn echtgenoot wel en ik uitsluitend om te luisteren. Het lijkt stiller dus de stofzuiger werkt het eerste massagraf weg. Zo kan ik direct zien of de nieuwe laag poeder nieuwe slachtoffers maakt. En ja hoor, na drie dagen nog steeds gezoem, vooral uit de lampenkap op de kamer van zoonlief. Er zitten zo’n vijf wespen in, waarvan een stuk of drie mega exemplaren. Vooral als het licht aan gaat, gaan ze los. Het zoemen klinkt dan oorverdovend.

Week drie; er liggen dertig dode wespen op de grond, vijftien zitten in de lampenkap en die zijn heel actief. Ik durf de vliering op en zie minstens vijfhonderd dode wespen en een mega grijze bal. Massagraf twee verwijder ik met een zaklamp dicht in de buurt. En … ik hoor nog steeds knagen. Snel het luik weer dicht.

Maandag bel ik de ongediertebestrijder weer met de vraag: ‘hoe lang ze nog actief zijn?’

“Tsja, jij hebt echt een heel taai volkje getroffen. Wacht tot donderdag en als je dan nog iets ziet of hoort, dan kom ik weer.” Ik zit gelaten beneden en lees dat koninginnen overwinteren door zich met hun kaken vast te bijten in hout. Ze worden dan in het voorjaar wakker. Het terug verhuizen naar de stad komt nu rap dichterbij.

Column over het leven op het platteland als recht geaard stadsmens. Dit maal in twee delen, omdat we het hier hebben over een zeer hardnekkig volkje. Deel I kun je teruglezen, handig om daar te beginnen ;-). In februari weer nieuwe columns. 

%d bloggers liken dit: