Rijden, rijden…

17 Apr

Wonen met veel ruimte om je heen geeft een rijk gevoel. Totdat activiteiten gevolgd moeten worden in de dichtbebouwde omgeving, tien kilometer verderop. Dan wordt die ruimte per fiets onoverbrugbaar wegens gebrek aan licht, lichaamskracht of gewenste snelheid. En wie o wie helpt de dochters en zoon toch die afstand te beslechten? Juist… de taxichauffeur zonder vergunning, pa of ma. Gewoon omdat het moet, niet omdat het kan. Want clubjes zijn belangrijk voor lichaam en geest.

Toen ik veel werkte vond ik dit ‘moetje’ noodzakelijk kwaad en scheurde ik dochters en zoon richting clubje. Radio lekker hard, een houding van ‘nu effe niet’ en kinderen die vrijwel stil op de achterbank zaten. Mijn hoofd tolde tijdens die ritjes van de lijstjes, waardoor ik naast het opletten op het verkeer ook weinig anders meer hoorde dan de radio. Steevast meldde ik iedereen dat autorijden niet mijn hobby was.

Tegenwoordig maak ik er een uitje van, ik heb immers de tijd. Of beter geformuleerd: ik gun mezelf de tijd. Net zoals we vroeger met opa en oma ‘een rondje gingen rijden’, stap ik nu op tijd de auto in. Geen haast, veel om je heen kijken en de radio op conversatie stand. Sinds deze mindset heb ik hele gesprekken met de dochters en zoon, mede omdat ze per ritje vaak alleen naast mij voorin zitten. Als ik niet uitkijk, wordt ‘rijden, rijden, rijden .. in een wagentje’ mijn nieuwe hobby.

20161126_153117

Advertenties

De heilige koe

3 Apr

Prachtig is het. Witte rijp dik op de bomen. Daar moet ik een plaatje van maken. Ik ben vlakbij huis en ruim op tijd. Bovendien heb ik meer dan genoeg kilometers op de teller van mijn elektrische bolide staan. Dus stoppen kan wel. Voorzichtig rijd ik de auto het onverharde dichtgevroren pad op. Geheel alleen in mystiek landschap. Met de telefoon in de aanslag ga ik op pad.

Vlak voor de sluis is de brug die de B-weg over het water loodst. Sinds kort vernieuwd en voorzien van een strak versierde reling. De naam van het water, de Wapserveense Aa, staat uitgespaard in het metaal. Heel ‘artie’ om daar doorheen foto’s te maken, terwijl mijn achterste bijna aan gort wordt gereden door voorbijgaand verkeer. Tijdens een geforceerde pauze zie ik links het ultieme plaatje; een eenzame boom vol zwarte takken met witte uiteinden in een mistig weiland. Voorzichtig steek ik de weg over om vanaf het veilige fietspad de foto der foto’s te maken.

Natuurlijk sta ik teveel op afstand, dus weer de weg over om vanuit de bevroren berm de beste hoek te bepalen. Behoorlijk onhandig op hippe laarzen, waar koude voeten schreeuwen om het genot van de autoverwarming. Maar hoe meer het lichaam tegenspreekt hoe harder het brein het wil pijnigen. Met mijn zintuigen op scherp, voel ik iets achterlangs glijden. Iets dat mij doet rillen.

Een aftandse Mercedes stopt bij de brug. Een jongeman in verschoten joggingpak met de pet achterstevoren op het hoofd stapt uit. Duidelijk geen vogelaar, visser of fotograaf. Zijn auto heeft hij laconiek geparkeerd, half op het fietspad, half op de brug, bijna op de rijbaan. Gek in een omgeving waar genoeg ruimte is.

Mijn hart bonkt luid, mijn verbeelding slaat op hol. ‘Komt hij nou mijn kant op?’  Ik bedenk dat ik de sleutel in mijn auto heb laten liggen. Dat kan hier op het platteland.

De jongeman steekt in stevige pas de B-weg over. Hij maakt geen foto’s van het landschap, maar koerst regelrecht op mijn auto af.

‘Niet zenuwachtig worden, die kijkt en vertrekt of moet plassen’, zegt mijn ratio. Mijn gevoel vertrouwt het niet. Slechts 1 druk op de startknop en deze zoeft er vandoor. Ik ga in mijn eigen vertrouwde langzame tempo terug naar de overkant. Op het fietspad zet ik een drafje in, want de jongeman cirkelt steeds dichter rond mijn auto. In mijn hoofd weeg ik af of het verstandig is om alleen de jongeman te benaderen, wellicht heeft hij andere plannen. Hij negeert mij meesterlijk.

Ik steek over. Zo nonchalant mogelijk roep ik vanaf een veilige afstand: “Hi, bijzonder mooi weer hè?” De jongeman reageert niet. Ik verzamel al mijn moed, wacht tot hij aan de passagierskant is en loop snel richting de bestuurdersplek. Pas als ik het portier open, kijkt hij op: “Interessante auto, rijdt die zuinig?”. Verbouwereerd laat ik me op de bestuurdersstoel zakken, pak de sleutel uit het vakje en stop die in mijn jaszak. Wat hakkelig geef ik antwoord, twijfelend tussen hard wegrijden of beleefd antwoorden, “Ja zeker. Hoezo?”

De jongeman loopt achter de auto langs, wat wegrijden onmogelijk maakt. Hij leunt naar binnen, arm op het openstaande portier: “Wow da’s nog eens een dashboard”. Ik zit gevangen. Redelijk uit mijn doen, stuntel ik voort: “Tsja, nieuw. Nou ja ….bijna 4 jaar oud.” De neiging om de auto onaantrekkelijk te maken overwint: “En je komt er niet zo ver mee.” Hij klopt op het dak: “Met een zonnepaneeltje zie ik”. “Mmm, maar ik moet er vandoor de kinderen komen uit school.” Ik probeer de deur dicht te slaan, maar hij geeft geen krimp. “Nou moet je weten dat ik net zonnepanelen op het dak heb gelegd. En ik werk in Meppel, dus ik dacht: is zo’n auto niet iets voor mij? Noordwolde – Meppel da’s te doen toch met zo’n bakkie? Ach en toen stond die hier ineens. Dus ik wou effe kijken en horen wat je er nou van vindt.” De eerste golf opluchting spoelt door mij heen. Dit overkomt mij vaker: mensen die vragen of het nou wat is ‘zo’n elektrische auto’. Ik adem eens diep in en noem alle voor- en nadelen op. Hij wijkt een stukje naar achter. Ik gooi de deur dicht, laat het raampje zakken. Door het raam geef ik aan dat proefrijden nu echt niet gaat, want ik moet weg. Hij neemt zijn pet af, krabt eens op zijn achterhoofd, groet. In het voorbijgaan roept hij nog: “Ik weet het nog niet hoor, misschien zijn de zonnepanelen toch vooral goed voor het opwarmen van water.”

Ik zwaai. Thuis sluit ik alles een week lang hermetisch af. Daarna verval ik mijn plattelandsvertrouwen. Deze week ben ik mijn sleutels opnieuw vergeten.

Frederiksoord 2017

Frederiksoord 2017

%d bloggers liken dit: